2022-08-01

Wake-up call in de Regio Groningen

Groningen is in de tijdspanne van een eeuw van een handelsstad veranderd in een centrum van onderwijs en dienstverlening. Ze is daarnaast topsector in de energie. Maar hoe gaat het nu met Groningen? Is Groningen anno 2014 een gezonde stad en regio?

Dit is een van de vragen waar het Lectoraat FUR (Future Urban Regions) zich mee bezig houdt. Sinds in 1959 bij Slochteren aardgas werd gevonden financierde deze provincie in zijn eentje de Nederlandse welvaartsstaat. De recente aardbevingen in het noordoosten van de provincie zijn een hardhandige ‘wake-up call’. De aarde reageert fysiek op het menselijk handelen en vormt zo een katalysator voor de groeiende bewustwording van de negatieve effecten van het stedelijk leven.

Nu Groningen uit haar ‘comfort zone’ wordt gedwongen en er alternatieven moeten worden bedacht voor het gas is de vraag opportuun: hoe nu verder? We constateren dat niet alleen in Groningen, maar wereldwijd weinig is geanticipeerd op het feit dat energie zo’n groot thema zou worden. We constateren dat ruimtelijk ontwerpers de energietransitie nog nauwelijks tot hun werkterrein rekenen.

Voor we ons als Lectoraat FUR kunnen richten op wenkende perspectieven voor een duurzame, schone en gezondere toekomst voor de regio en de stad Groningen is er de stad van vandaag en in het verleden. Hoe gezond was de stad eerder? Hoe gezond is ze nu en hoe gezond kan ze worden? Het Lectoraat FUR richt zich op de sociaal-culturele, economische en ecologische factoren, die van invloed zijn op de bestaande en toekomstige stad en stadsregio’s en laat zien wat ontwerpend onderzoek daarbij kan betekenen voor de gezonde stedelijke ontwikkeling. Hierbij vergelijkt ze de regio’s waaraan ze is verbonden: Groningen, Amsterdam, Rotterdam, Arnhem, Maastricht en Tilburg/Eindhoven. We zien dat er niet of nauwelijks een ruimtelijk beeld is van gezonde verstedelijking, dat geldt voor onszelf, maar ook voor de partijen waar we mee samenwerken, overheden, stakeholders en kennisinstellingen. Hetzelfde geldt voor de opgaven die van invloed zijn op de gezonde stad, zoals de energietransitie, het thema waaraan het Lectoraat FUR werkt in Groningen.

De gezonde stad 1.0

De Groningse emeritus hoogleraar stedenbouwgeschiedenis Auke van der Woud beschrijft in zijn boek ‘Koninkrijk vol sloppen’ de ontwikkeling van de ongezonde Nederlandse stad van 1800 tot 1900, de eeuw voordat de Woningwet en Gezondheidswet werden ingevoerd. In deze eeuw verdrievoudigde de stad Groningen haar inwoneraantal. In vergelijking: Amsterdam en Maastricht vertweevoudigden in deze eeuw hun inwoneraantallen. Arnhem, Tilburg en Rotterdam vervijf- en zesvoudigden maar liefst het aantal inwoners. Het platteland groeide minder hard dan de stad. Groningen is in deze tijd de derde handelsstad van Nederland . De hout- en graanhandel spelen een belangrijke rol, en door de industrialisering ontwikkelen zich o.a. ook de suikerfabriek, tabaksfabriek, rijwielfabriek en de confectie-industrie. De infrastructuur verbetert door de aanleg van het Noord-Willemskanaal (1865), en het Eemskanaal (1876) en natuurlijk door het spoorwegnet in 1866. De nieuwe infrastructuur vergroot de toestroom van goederen, voedsel en mensen. De toename van de bevolking is hiervan het gevolg. De stad ontwikkelt zich economisch, tegelijkertijd neemt de kwaliteit van de leefomstandigheden van vooral de arme bevolking af. In de arme buurten van Groningen woonden -net als in andere grote steden- mensen in kelders, gangen of kasten zonder verwarming, zonder schoon water en zonder frisse lucht. De woning- en gezondheidswet van 1901 kondigde de verbetering aan in de stedelijke woonomstandigheden en de hygiëne in veel steden in Nederland. Dit verliep in Groningen in eerste instantie langzaam . Omdat de volkswoningbouw moest voldoen aan allerlei eisen werd het minder aantrekkelijk voor particuliere investeerders om te investeren. Bovendien werd er wel gesloopt, waardoor de woningnood verder groeide. De Woningnoodwet uit 1916 veroorzaakte uiteindelijk de werkelijke omslag, waardoor betere volkswoningen worden gebouwd. Niet alleen de wetgeving, maar bijvoorbeeld ook subsidiëring van corporaties door de overheid hebben een positieve invloed gehad op de gezonde stedelijke leefomstandigheden. Parallel hieraan kwam het gedachtengoed van de tuinstad overwaaien uit Groot Brittannië dankzij de publicatie ‘The Garden City’ van de Londonse Rijksambtenaar Ebenezer Howard. De tuinstad was te beschouwen als het positieve, groene en gezondere alternatief voor de stad op dat moment. Volgens Howard was het weer in contact brengen van de mensen met het landschap DE remedie tegen de ongezonde stad. In Groningen had deze beweging een bescheiden effect. In 1919 werd bijvoorbeeld het eerste Groningse tuindorp gebouwd, ‘de Hoogte’. Een aardig regionaal voorbeeld van de eerste generatie gezonde verstedelijking. Naast een betere volkshuisvesting werden voorzieningen aangelegd zoals gas- en waterleidingen, de riolering, meer groen en de verbetering van de gezondheidszorg. In 1903 werd een begin gemaakt met de bouw van het Academisch Ziekenhuis en verscheen het eerste stadspark. Volkshuisvesting en stedenbouw werden een belangrijke motor voor een gezonde stad. De invloed van de overheid op de leefomstandigheden werd groter. Mede hierdoor zijn er veel overeenkomsten tussen de woon- en leefomstandigheden van de grote steden in de twintigste eeuw . In de zes regio’s waar we als Lectoraat FUR naar kijken gaan vanaf 1900 de verbeteringen min of meer gelijk op. De twintigste eeuw: onzichtbare stromen In de twintigste eeuw domineren niet de gezondheidsmaatregelen, maar een grote stroom van nieuwbouwwijken de stedelijke groei. Dit geldt ook voor Groningen en is een gevolg van de grote bevolkingstoename en de woningnood die voor en tijdens de oorlog was ontstaan. Vernieuwing en bereikbaarheid voeren de boventoon. Dit leidt o.a. tot de sloop van waardevolle gebouwen, demping van havens en grachten en bredere toegangswegen. De wet- en regelgeving van het begin van de eeuw resulteren in een hoge kwaliteit van de nieuwe huisvesting, veilige wegen, een goed riolerings- en nutssysteem. Vanaf de jaren zestig heeft iedereen de beschikking over vergelijkbare basisvoorzieningen, zoals stromend schoon water, een toilet en verwarming. Door de toenemende industrialisatie en verstedelijking, dankzij het nationale planningsmodel van de compacte stad en mogelijk ook door de cultuur van Groningen als DE centrale stad en markt van de provincie is de afstand tussen stad en platteland almaar toegenomen. De moderne industrie en infrastructuur zijn vanaf 1865 de stad meer en meer gaan voorzien van alle goederen, voedsel, water en energie. Terwijl in de negentiende eeuw iedere stadsbewoner goederen, brandstof en voedsel in grote stromen de stad in zag komen, zijn in de twintigste eeuw veel van deze stromen onzichtbaar geworden. De schijn is gewekt dat dit geen consequenties heeft. De stedeling is zich in de twintigste eeuw steeds minder bewust van de routes en afstanden die alle goederen, energie en water hebben afgelegd voor deze tot hun beschikking staan, laat staan van de consequenties die de productie en winning hebben voor het landschap, het klimaat en het leven. Carolyne Steel gaat nog een stap verder en beschrijft dit fenomeen in haar boek ‘The hungry city’ als volgt:

‘Aangezien onze beschaving stadsgericht is, is het niet verwonderlijk dat we een scheef beeld hebben van de verhouding tussen stad en platteland. Visuele verbeeldingen van steden laten dikwijls het achterliggende platteland buiten beschouwing, daarmee de suggestie wekkend dat de stad een autonoom fenomeen is…‘
De gezonde stad 2.0 De jaren ’70 markeren het begin van enige reflectie als het gaat om het bewust en gezond omgaan met de bestaande stad en omgeving. In deze periode ontstaat een grotere aandacht voor het milieu door het rapport De grenzen aan de groei van de Club van Rome van 1972. Hierin gaat het over de bevolkingsgroei en de daarmee samenhangende voedselproblemen, eindigheid van fossiele brandstoffen en bijvoorbeeld de toename van smog en fijnstof. Organisaties als Greenpeace, het Wereldnatuurfonds en talloze kleinere organisaties worden opgericht als onderdeel van een veel bredere maatschappelijke beweging. Parallel hieraan wordt in Groningen 1975 uitgeroepen tot Monumentenjaar en komt er weer meer waardering voor historische gebouwen en structuren. Gestaag wordt er minder gesloopt. Het zogenaamde verkeerscirculatieplan zorgt er vanaf 1977 voor dat het doorgaande verkeer uit de binnenstad wordt geweerd, terwijl ook de stadsvernieuwing, gemarkeerd door de oprichting van de Stichting Stadsherstel, op gang komt. In 1980 ontstaat de lokale afdeling Milieudefensie Groningen en in 1989 wordt door een groep gelijkgezinden de ecologische wijk Drielanden ontwikkeld, een interessant voorbeeld van de tweede generatie gezonde verstedelijking.

Wereldwijd veroorzaken het verdrag van Kyoto (1992), publicaties en films zoals ‘Cradle tot cradle van William McDonough en Michael Braungart (2002), ‘Inconvenient Truth’ van Al Gore (2006), en ook ‘911’, een groeiend aantal klimaatrampen en stedelijke gezondheidsproblemen en een groeiend besef van urgentie. Het Lectoraat FUR ziet zichzelf als een van de kenniscentra die vanuit dit besef van urgentie wil bijdragen aan de gezonde stedelijke toekomst en bijbehorende competenties van de jonge generatie ontwerpers.

Sleutelen aan de stad en de regio

Het Lectoraat FUR wil onderzoeken wat de rol van ontwerpers kan zijn. In Groningen ontwikkelde ze samen met de Academie van Bouwkunst en het Kenniscentrum Noorderruimte van de Hanzehogeschool de studio Energietransitie. Hier vindt ontwerpend onderzoek plaats naar de wijze waarop de energietransitie zich laat vertalen naar de regio en naar een gezondere verstedelijking. De energietransitie vormt de ingang om de gezonde stad en regio Groningen te onderzoeken. ‘Complete City Cube’ Het Lectoraat FUR gaat uit van een brede definitie van gezonde verstedelijking . Het onderzoek verwisselt de vraag naar de stad als object, met de vraag naar verstedelijking als proces. Die dynamische wijze van kijken vangt aan op de schaal van de regio en reikt tot woning in de straat. Deze benadering door de schaalniveaus heen biedt een nieuwe positie voor ontwerp. Het ontwerpen aan Future Urban Regions is namelijk niet meer gebaseerd op scheiden, maar op mixen, zowel op micro, meso als op macro niveau. Het zal naast de bekende categorieën wonen, werken, verkeer en recreatie ruimte bieden aan de productie van voedsel, energie, grondstoffen (uit afval) en talloze communicatienetwerken. Verstedelijking kortom die leunt op een completer stedelijk aanbod, zodat in het dagelijks leven elke behoefte nabij is. Dat leidt tot minder verplaatsingen, die bovendien efficiënter, veiliger en zonder schadelijke uitstoot zijn. Er is een eerste onderzoeksmiddel samengesteld: the ‘Complete City Cube’ (C3-cube). De C3-cube beschrijft drie assen: actoren, schalen en pijlers voor duurzame verstedelijking. Projecten die zoveel mogelijk vakjes in de kubus vullen zijn hoogst waarschijnlijk oplossingen die door slimme combinaties – meekoppelkansen – meerdere doelen mogelijk maken en verschillende agenda’s verbinden. In de regio Groningen vertaalt de 3C Cube zich naar vier thema’s mobiliteit, voedsel, industrie en woon- werkomgeving. De studio energietransitie Groningen werkt samen met vier overheden: Provincie Groningen, regio Groningen-Assen en de gemeenten Groningen en Zuidhorn. En met het Kenniscentrum Noorderruimte van de Hanzehogeschool (project Energie+dorp en het Lectoraat netintegratie), marktpartijen en andere lokale stakeholders, zoals adviseurs en ondernemers van energiebedrijven, boeren, bewoners en bijvoorbeeld de milieuwerkgroep Zuidhorn. We werken aan de hand van een ruimtelijke doorsnede van de regio. Deze omvat vier representatieve locaties, waar middels stromenanalyse en scenariostudie de mogelijkheden voor de energietransitie worden getest: landschap, dorp, stadsrand en stad. De verbeelding van de energietransitie op deze concrete locaties en op verschillende schaalniveaus (van parkeerplaats, tot straat, buurt, rioolzuiveringsinstallatie, dorp en een complete gemeente) draagt bij aan het concreter maken van de proporties en consequenties van de hoge ambities in de regio. De testlocaties geven een beeld van mogelijke antwoorden op de vragen die de overheden het Lectoraat FUR hebben meegegeven: Hoe kan het Lectoraat FUR FUR bijdragen en mee inhoud geven aan de beleidsambitie van de gemeente Groningen: energie neutrale stad vanaf 2035 en aan het enthousiasme over en grip op de opgave zowel voor de experts als de stad? Hoe kan ze een beeld geven van de ontwerpopgaven die hieruit volgen? En hoe kan de energietransitie bijdragen aan een schonere, duurzamere en gezondere stad? De eerste bevindingen van de studio energietransitie bieden aanleiding om de samenwerking met de partijen uit te bouwen: Gezonde Verstedelijking vraagt om een nieuwe lezing van het stedelijk mechanisme als samenhangend organisme, ofwel het metabolisme van de stad: het leren begrijpen van verstedelijking in termen van vitale stofstromen, energie, water, biomassa en afval, sedimenten, biota, lucht en warmte en het transport van mensen en goederen. We constateren meerdere nieuwe aandachtsgebieden en thema’s, die als voedingsbodem voor het Lectoraat FUR zouden kunnen dienen. Een belangrijk thema is een gezond energiesysteem: een duurzame mix van bronnen, het ontwerp van slim gekoppelde netwer¬ken en het lokaal opwekken van hernieuwbare energie. Een ander belangrijk thema is het lokaal produceren van voedsel. Het ontwikkelen van nieuwe samenwerkingsverbanden en het lokaal produceren, aantrekkelijk en bereikbaar maken van voedsel, waar mogelijk in een symbiose met het hergebruik en de productie van energie en water. Een volgend thema is de ontwikkeling van slimme vervoersknopen: door slimme verknoping van vervoers¬systemen en het concentreren van ontwikkeling rond multimodale knooppunten van vervoer, horeca, detailhandel en internet ontstaan plekken die niet alleen goed functioneren als overstappunt maar ook als bereikbaar reisdoel en als verblijfplaats. Aansluitend identificeren we het onderwerp actieve en lokale mobiliteit: het slim (her)ontwikkelen van voorzieningen en functies in de stad en de stedelijke regio zodat iedereen zich makkelijk en actief naar en door de stad kan bewegen door een betere distributie van ver¬keersstromen en het stimuleren van openbaar vervoer, (elektrisch) fietsen en wandelen. Hierop aansluitend is er het thema healthy ageing, het gezond en actief ouder worden, een thema dat vanuit het Noordelijke kennis- en ontwikkelingscluster (HANNN) wordt aangezwengeld. Door het slim verknopen van complexe of meervoudige kringlopen kan bovendien meervoudig waarde worden toegevoegd. Gezonde Verstedelijking betekent tevens aandacht voor verbondenheid met de historische, culturele en ecologische identiteit van een plek: het versterken van verbondenheid en identiteit door het delen, (her)gebruiken en (her)ontwikkelen van stedelijke plekken, herkenbare landschappen, objecten, gewassen en dieren. Het gaat dan bijvoorbeeld over het ontwikkelen van onderscheidende kwaliteiten: de ambitie om te zoeken naar specifieke complementaire krachten van plekken, processen, projecten en programma’s op alle schaalniveaus. Portfolio of opportunities Het ontwerpend onderzoek dat plaatsvindt draagt niet bij aan de oplossing, maar aan het creëren van een portfolio van mogelijkheden. Mogelijkheden die een antwoord kunnen geven op de energietransitie. Gunter Pauli noemt dit in zijn boek Blue Economy een ‘portfolio of opportunities’. Hij heeft 100 casussen op een rij heeft gezet om te tonen welke innovaties mogelijk zouden kunnen zijn om mensen wereldwijd te inspireren hun eigen lokale innovaties te ontwikkelen. Zijn doel is de wereld minder te belasten en tegelijkertijd goede businesscases op te bouwen. Voor Groningen ontwikkelen we daarom meerdere casussen in de doorsnede van de regio, een ruimtelijke reeks voorstelbare toekomstscenario’s.

Bevragen resultaten

Het Lectoraat FUR beschouwt de portfolio of opportunities die is ontstaan vanuit de studio aan de hand van drie vragen: De eerste vraag is of het mogelijk is om de ogenschijnlijk niet ruimtelijke problemen die zijn verbonden aan de energietransitie kunnen worden beantwoord met ruimtelijke oplossingsrichtingen? De analyse van de vier thema’s mobiliteit, voedsel, industrie en woon- werkomgeving op verschillende locaties en schalen in de doorsnede van de regio leidt tot programma’s van mogelijkheden in plaats van de traditionele programma’s van eisen, die normaliter in een ontwerpproces het startpunt vormen. Een voorbeeld is het programma van mogelijkheden voor het suikerunieterrein in Groningen. Deze studie speelt in op de vraag: En hoe kan de energietransitie bijdragen aan een schonere, duurzamere en gezondere stad? En hoe kan de studio een beeld geven van de ontwerpopgaven die hieruit volgen? Op het suikerunieterrein valt veel winst valt te behalen door in te spelen op de ligging van de locatie als slim vervoersknooppunt. Bijvoorbeeld door een nieuw OV station te koppelen aan carsharing, zelfrijdende auto’s, elektrificatie en actievere, gezondere manieren van verplaatsen (ebikes, fiets, wandelen). De jonge generatie ontwerpers staat positief tegenover het delen van auto’s. Het anders omgaan met vervoersstromen kan leiden tot minder autogebruik (nu meer dan 70% van de vervoersstromen), minder gebruik van fossiele brandstoffen, een optimaler gebruik van het openbaar vervoer (nu minder dan 20% van de vervoersstromen), meer gebruik van fietsen en ebikes (nu minder dan 10% van de vervoersstromen). Het delen en mixen van vervoerssystemen zou kunnen leiden tot meerdere aantrekkelijke multimodale plekken in de stad(srand) waar duurzame vervoers- en goederenstromen bij elkaar komen op praktische locaties voor de gebruikers, bijvoorbeeld dichtbij de snelweg en de binnenstad, zodat lijnen kunnen worden verkort. Een stroomschema, met het programma van mogelijkheden voor de stad laat zien waar kansrijke locaties voor ‘hubs’ van deze stromen liggen. Het scenario dat uitgaat van minder autobezit biedt openingen voor een ander en gezonder gebruik van de ruimte. Hiermee laten ontwerpers zien dat ze in staat zijn niet ruimtelijke vraagstukken te vertalen naar ruimtelijke mogelijkheden op verschillende schaalniveaus, waar stakeholders op kunnen inspringen.

Een ander voorbeeld: het dorp Zuidhorn. Hier heeft de gemeente gevraagd hoe zij enthousiasme en motivatie teweeg zou kunnen brengen in het dorp om duurzamer om te gaan met energie? Tevens een niet ruimtelijke vraag. Om de vraag te beantwoorden zijn mogelijkheden geformuleerd die tot de verbeelding spreken. In gesprek met een lokale boer blijkt het niet lokaal produceren van voedsel een gevolg van een louter economische overweging. Zolang de boeren rond Zuidhorn ieder hun eigen broek op moeten houden in het huidige systeem zal er weinig veranderen. Voorwaarde voor elke oplossing is volgens de boer een coöperatieve aanpak, zodat alle boeren mee kunnen profiteren. Een mogelijke oplossingsrichting die naar voren komt uit de studio in Groningen is een coöperatieve samenwerking, een agrarische energie- en voedselproductie eenheid. Deze ‘eco-wierde’ appelleert aan de historische gemeenschappelijke boerenerven en –wierden uit vervlogen tijden. Een aantrekkelijk concept dat het een gedragsverandering eenvoudiger maakt en erom vraagt om te worden uitgewerkt en doorgerekend. De productie van deze innovatieve eco-wierde komt ten goede aan het dorp Zuidhorn. Om de bewoners van het dorp en de regio optimaal te faciliteren is een bijzonder stationconcept uitgewerkt, een ecosupermarkt als stationshal. Deze ecosupermarkt op het station betrekt haar producten lokaal, bijvoorbeeld van de eco-wierde en laat zien hoe in een dorp, waar de prikkel om duurzaam te leven minimaal is, de duurzame oplossing dichterbij kan worden gebracht. De tweede vraag is hoe verschillende schaalniveaus zich laten vertalen naar gezonde verstedelijking? Het blijkt niet eenvoudig om op het hoogste schaalniveau antwoord te geven op de energietransitie in de regio. Het lagere schaalniveau biedt meer mogelijkheden om te verbeelden. Een van de casussen genaamd ‘Deel je auto en oogst’ laat een reeks aan mogelijkheden zien, die een vrijkomende parkeerplaats kan bieden, zodra er meer mensen auto’s gaan delen of gebruiken in plaats van bezitten: energiewinning, voedselvoorziening of het thuiswerken in een stadsbuurt. Deze casus is zo voorstelbaar dat ook hier behoefte ontstaat om dit onderzoek verder te brengen. Op het mesoniveau is een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) bekeken. Het blijkt dat rioolwaterzuiveringsinstallaties een zekere mate van traagheid kennen in hun ontwikkeling, waardoor nog veel (energie)winst valt te behalen. Een RWZI zou kunnen gaan functioneren als grondstoffenfabriek. Er zijn reststromen die nu worden geloosd, die opnieuw kunnen worden benut en waarde hebben in de vorm van waardevolle reststoffen. Er kan veel worden bespaard door het schone drinkwater ook echt te gaan gebruiken als drinkwater. Het blijkt dat de regio nu 80% van het schone drinkwater gebruikt om toiletten door te spoelen, te douchen en wassen. De ligging van de RWZI rioolzuiveringsinstallatie aan het Eemskanaal biedt kansen op een groter schaalniveau. Het kanaal tussen stad Groningen en de Energiepoort Delfzijl verbindt niet alleen stad en de RWZI, maar ook de Energypoort van Groningen, Delfzijl en daarmee een grote rijkdom aan energie- en grondstoffenproducenten en -gebruikers langs het kanaal. Het Eemskanaal zou mogelijk als energie-as van de provincie kunnen gaan functioneren. Dit vraagt nog verdere uitwerking. We zien dat naarmate de schaal groter wordt de casus lastiger is. Het blijkt dat er meer synergie is vereist tussen partijen en het vraagt slimme oplossingen, waarbij van complexere stroomsystemen en ketens sprake is. De laatste vraag: Wie heeft welke rol in de energietransitie en wie is opdrachtgever, willen we nader bezien. De eerste samenwerking met lokale en regionale overheden, kennisinstellingen en stakeholders biedt veel inspiratie. Het Lectoraat FUR ziet kansen om overheden te ondersteunen om hun veranderende rol invulling te geven. De Groningse portfolio of opportunities biedt stakeholders inzicht in nieuwe ruimtelijke mogelijkheden waar ze op in zouden kunnen spelen. Een verdergaande samenwerking van overheden, stakeholders en kenniscentra kan meer helderheid bieden over de rollen van iedere partij in de toekomst en de haalbaarheid van de ‘opportunities’. Het kan tevens de werkwijze en de portfolio verder brengen. Next step: gezonde stad 3.0 De Groningse ‘portfolio of opportunities’ is inspirerend. Partijen zijn gretig. Tijdens een regionale afstemming met de twaalf gemeenten, twee provincies en de twee waterschappen van de regio reageerden partijen enthousiast: ‘het onderwerp wordt door de wijze van werken minder abstract en onzichtbaar dan gedacht’. De energie-expert van de gemeente Groningen formuleerde het als volgt: ‘Het belangrijkste in dit proces, is dat een groot aantal jonge mensen die vanuit hun opleiding normaal gesproken niet met energie of andere duurzaamheidsaspecten bezig zijn nu heel erg met de materie zijn bezig geweest. Zij zijn er allen achter gekomen dat ook zij een belangrijke bijdrage kunnen leveren’. ‘Eigenlijk is dit thema zo belangrijk dat dit volgens mij een regulier onderdeel in het opleidingsprogramma moet zijn. De volgende stap is de casussen en werkwijze verder te brengen in samenwerking met de betrokken partijen’. Het energetisch en financieel doorrekenen van de casussen zou meer inzicht kunnen bieden in de opbrengsten. Het Lectoraat FUR ziet het als uitdaging om samen met anderen de werkwijzen en Groningse ‘portfolio of opportunities’ verder te ontwikkelen en te laten bijdragen aan de 3e generatie gezonde verstedelijking in de regio.

beeld

Locaties van de aardbevingen 1986-2013 (bron: KNMI). Nu Groningen uit haar ‘comfort zone’ wordt gedwongen en er alternatieven moeten worden bedacht voor het gas is de vraag opportuun: hoe nu verder? En hoe vertaalt deze transitie zich naar de regio? Hoe kan de energietransitie die nodig is zich vertalen naar een gezondere verstedelijking?

beeld

Foto: woningnood in Groningen, RHC Groninger Archieven, vervaardiger P.B. Kramer. Id.nr.: NL-GnGRA_1785_9539). 3. ‘Wat toch baten koophandel, voorspoed, rijkdom? Waartoe dienen de wetten, die den burger voor zijne veiligheid waarborgen, indien niet een voorspoedige gezondheid hem in staat stelt daarvan het genot te kunnen hebben?’ C.J. Nieuwenhuijs, Med. & Chir. Doctor, Proeve eener geneeskundige plaatsbeschrijving (topographie) der stad Amsterdam, 1816-1820

beeld

  1. Korenbeurs Groningen, Van handel in grondstoffen naar een supermarkt met volop kant-en-klaarproducten, waarvan de herkomst vaak niet meer duidelijk is.

De stad Groningen kreeg in de veertiende eeuw het stapelrecht; dat hield in dat producten uit de Ommelanden alleen in de stad op de markt gebracht mochten worden. In de loop der eeuwen nam de handel zodanig toe dat een echte markthal noodzakelijk werd. (Beeld: NRF0020 InDetail Magazine 2 artikel Korenbeurs, p.2)

beeld

  1. Onderzoeksinstrument Future Urban Regions: the ‘Complete City Cube’ (C3-cube). De C3-cube beschrijft drie assen: actoren, schalen en pijlers voor duurzame verstedelijking. Projecten die zoveel mogelijk vakjes in de kubus vullen zijn hoogst waarschijnlijk oplossingen die door slimme combinaties – meekoppelkansen – meerdere doelen mogelijk maken en verschillende agenda’s verbinden

beeld

  1. De afbeelding toont een mogelijke ‘hub’ op een van de sleutelplekken in de stad. Hier kunnen mensen overstappen van ecar op ebike, hier zouden leenauto’s kunnen staan, die per app worden besteld, hier zou het laden van electrische oproepbare auto’s kunnen worden gecombineerd met de winning van hernieuwbare energie, een markt voor lokale producten, crèches etc. (beeld: studio energietransitie AvB. Groningen, Guido Tits, Nina Schouwman, Marcel van der Schuur)

beeld

beeld

beeld

  1. Eco-wierde en eco-station Zuidhorn, voorbeelden van mogelijke slimme verknopingen van lokale energie, water en voedselstromen, productie en verkoop. (beeld: studio energietransitie AvB. Groningen, Omar Smits en Ronald Brunsing).

beeld

Deel je auto en oogst. Verkenning van de mogelijkheden van vrijkomende buurtparkeerplaatsen uitgaande van het scenario waarbij meer minder mensen auto’s bezitten, mensen auto’s gaan delen, of bijvoorbeeld in deeltijd gebruiken en mensen meer gebruik gaan maken van de fiets, het openbaar vervoer etc. (beeld: studio energietransitie AvB. Groningen, Nina Schouwman).

beeld

  1. ‘Zuiver Zuiveren’ Analyse en optimalisatiemogelijkheden RWZI installatie. Hergebruik reststoffen, zuiniger omgaan met schoon drinkwater, productie energie (biogas), hergebruik warmte, besparen kosten (beeld: studio energietransitie AvB. Groningen, Marcel van der Schuur).

beeld

beeld

Drijfveren: samen zoeken naar rol en betekenis van de veranderende praktijk (beeld: Omar Smits) Er is niet of nauwelijks een ruimtelijk beeld van gezonde verstedelijking en de opgaven die hierop van invloed zijn, zoals de energietransitie in de regio Groningen.

beeld

  1. Niet alleen de wetgeving, maar bijvoorbeeld ook subsidiëring van corporaties door de overheid hebben een positieve invloed gehad op de gezonde stedelijke leef-omstandigheden. De invloed van de overheid op de leefomstandigheden werd groter. (beeld: overgenomen van: presentatie Auke van der Woud, ‘Steden maken beter’.)

beeld

(7) Studio AvB. Groningen: Werken aan de hand van een ruimtelijke doorsnede van de regio. Deze omvat vier representatieve locaties, waar middels stromenanalyse en scenariostudie de mogelijkheden voor de energietransitie worden getest: landschap, dorp, stadsrand en stad. (beeld: studio energietransitie AvB. Groningen. Sandra van Assen)

beeld

beeld

9 (a-e). Eco-wierde en eco-station Zuidhorn, voorbeelden van mogelijke slimme verknopingen van lokale energie, water en voedselstromen, productie en verkoop. (beeld: studio energietransitie AvB. Groningen, Omar Smits en Ronald Brunsing).